provinciaaltjes

Je herkent haar aan haar stekeltjeskapsel en bodywarmer. Hem aan zijn puutje shag en praktische schoenen. De provinciaal. Na een jeugd vol ‘stamtoafel’ op zaterdagochtend en geregelde kerkgang in witte sandalen kijk je als student verbaasd terug. Kom ik hier vandaan?  Met je pas verworven kennis voel je je een hele kosmopoliet en na je culturele onderdompeling in de stad kan je ’t je niet meer voorstellen. Met je volle waszak en hippe coffee-to-go stap je elk weekend in de trein naar huis en kijkt meewarig naar de lomperiken om je heen. ‘Kom je met Oud en Nieuw hierheen? Gaan we naar de soos en daarna naar Kombuis!’ vraagt je jongere broertje. Tuurlijk niet. Ik kom nooit meer terug.

Een tijdje terug was er in de bibliotheek in mijn dorp (dus toch) verkoop van afgeschreven boeken. Ik koos een groot boek over ‘Grandma Moses’. Een afgeharde boerin die op haar 70e het penseel ter hand nam. Gewoon, omdat ze dat leuk vond en het haken vanwege de artrose niet meer ging. Haar schilderijtjes gingen samen met de zelfgemaakte potten jam en de boter naar de markt. Alleen de schilderijtjes kwamen weerom. Totdat een culturele hotshot uit New York haar opmerkte. Haar naïeve schilderstijl en onschuldige landschappen wekten vertedering en nostalgische gevoelens op. Grandma Moses, zo nuchter en nederig als ik me voorneem te worden, nam niet de moeite om haar eigen eerste solo-expositie te bezoeken. Ze had de schilderijen immers al gezien? Fantastisch wijf. En hoewel Grandma absoluut oog voor detail had en een zeker subtiel kleurgevoel, was ze geen topschilderes. Maar dat deed er niet toe want er was een heerlijk, puur mens ontdekt door de kunstwereld. Een knuffelprovinciaal. Zou ze zelf in de gaten hebben gehad dat ze maar half serieus genomen werd?

Diezelfde avond ging ik met mijn zoon naar een uitvoering van de plaatselijk brassband ‘De Bazuin’. Zoon zit namelijk op AMV (Algemene Muzikale Vorming) en dat wordt gesponsord door diezelfde bazuin. De kinderen waren dus allen uitgenodigd met in het vooruitzicht dat de tekeningen die ze hadden gemaakt over ‘oorlog en vrede’ tijdens het concert te zien zouden zijn. En zo was het ook. Zoonlief had duidelijk het meeste plezier gehad aan het onderdeel ‘oorlog’ van het thema, maar goed. Nou is brassmuziek is niet mijn cup of tea. Maar de bolle toetwangen en proper geschoren nekken boven de slechtzittende uniformjasjes maakten me blij. En langzaam verschoof ik van het neerbuigend aanschouwen van een andere menssoort naar een soort melancholie en trots. Ik voel me hier thuis.


 

lord Henry

Kent u dat? Van die boeken die je eenvoudig gelezen móet hebben? Dan heb ik direct al geen zin meer. Maar als meneer Oscar Wilde voor 50 centen bij de kringloop ligt krijg je medelijden. Dus heb ik ‘Het portret van Dorian Gray’ gelezen. In twee dagen. En echt, mensen, die móet je lezen. De schrijver van het boek, Oscar Wilde, is het bekendst van zijn toneelstukken, gedichten en kritische essays (en van zijn dandy-achtige levensstijl, lange haren en homoseksuele escapades). Dit is de enige roman die hij ooit heeft geschreven. Ze zeggen wel eens dat sommige schrijvers maar één boek in zich hebben, daarna hebben ze al hun kruit verschoten. Ik weet niet of meneer Wilde nog meer kruit had gehad maar dit boek is werkelijk een bombardement aan pittige quotes, scherpe analyses en fantastische oneliners. Met name de figuur van lord Henry, die zijn leven heeft gewijd aan opium roken, niks doen en filosoferen is goed voor een hoop lol. Hij ziet er hoogstpersoonlijk op toe dat de hoofdpersoon Dorian Gray van een onschuldige jongeling veranderd in een verschrikkelijk mens. Vanuit zijn luie stoel natuurlijk. Met cynische toespelingen en provocerende beschouwingen duwt en kneed hij Dorian alsof hij met een rat in het lab van doen heeft. Ik trakteer jullie op een  citaat:

‘Werkelijke schoonheid houdt op waar een intellectueel uiterlijk begint. Intellect is op zichzelf een soort overdrijving en verstoort de harmonie van ieder gezicht. Het ogenblik waarop iemand gaat zitten denken, wordt hij één en al neus of één en al voorhoofd, of iets afschuwelijks. Neem de geslaagde mensen in de geleerde beroepen. Die zijn helemaal niet om aan te zien! Behalve de geestelijkheid natuurlijk. Maar de geestelijkheid denkt ook niet. Een bisschop zegt op tachtigjarige leeftijd nog precies hetzelfde als toen hij een jongeman van achttien was, en als een natuurlijk gevolg daarvan ziet hij er absoluut verrukkelijk uit.’

U mag het komen lenen.

 

visje, visje


Visje, visje in het water

Visje, visje in de kom

Visje, visje in het water

Visje, visje, keer maar om

Maar niet echt natuurlijk want dan ben je dood. Als je je omkeert. Of je doet de rugslag. Maar meestal ben je dood. De vis van vanmiddag ook. ‘Jammer’ zei de oude man en liet de dode vis, splek, in de prullenbak vallen. Nul tranen. Niks. Tot grote verontwaardiging van het meisje in de rode jurk. Die een heel arsenaal aan huiltjes weet: Dreinen, gieren, snikken, bleren. Heel professioneel doet ze ze allemaal en kijkt daarna trots het publiek in. Keer op keer biedt ze de oude man dwingend haar geruite zakdoek aan. Maar niks. Terwijl je op zoveel verschillende manieren huilen kan! Van alles probeert ze uit, niets werkt, de zakdoek komt steeds ongebruikt bij haar terug.

Tótdat ze een nieuwe goudvis komt brengen en een nieuw zelfgeknutseld bootje (de eerste had ze doormidden gekrakt om die ouwe in vredesnaam aan het janken te krijgen). Dan komen de waterlanders. Van geluk, want die waren we nog vergeten…

Leuke voorstelling kinders:  ‘Biggels en Tuiten’.

http://www.tryater.nl

goede buur

Jong, die Belgen snappen dat. Ik generaliseer even. Van twee mocht ik werk zien afgelopen weekeind. Van de eerste had ik een zwaar hart en een zere prop in mijn keel. Van de tweede stroomden de tranen over mijn wangen. Topweekend. Wim Vandekeybus (die eerste) liet in zijn ‘Talk to the demon’ een subtiel spanningsveld ontstaan. Mensen die een groep zijn, één die er buiten valt. Een klein jongetje dat gewetensvragen stelt. Hoe de groep draait, hoe de leider nu de pineut wordt en aan zijn voeten aan een wand bungelt. Oorlog, geweld en kwetsbaarheid. Alles wat je liever wilde vergeten ramt in één keer weer je hersenpan binnen. Man, dat is geen geslaagde avond te noemen maar dat die voorstelling me nog lang zal heugen is wel zeker.

De dag erop deed Berlinde de Bruyckere het nog eens dunnetjes over. Met haar verwrongen sculpturen van lichamen. Zo gewelddadig en fragiel tegelijk dat het haast niet te hebben is. Met dekens en flarden stof, die we ook maar al te goed kennen uit de beelden van vluchtelingen in de krant, bedekt ze ze. Ze verstikt en koestert ze tegelijk. Het paard, aan één been hangend in de ruimte, greep me bij m’n strot. De geknakte hals, dat bungelen, verschrikkelijk. Lijkt voorbehouden aan beelden om zo krankzinnig direct binnen te vallen en alle natuurlijke barrieres, zoals die handige ratio, te omzeilen. Daar zijn ze: het kind dat je niet beschermen kunt als het je baarmoeder verlaat en op de fiets stapt. Dat roze, dode diertje uit het nest dat op de oprit lag. Vreselijk en vertroostend is het.

Nogmaals, topweekend. Bedankt buren.

 

zelf

Gisteren was ik op de tentoonstelling van het werk van Marlene Dumas in het Stedelijk Museum Amsterdam. Tout kunstliefhebbend Nederland was present. Over een week is het alweer afgelopen en het stond blijkbaar op veel to-do-lijstjes want rijen, rijen, rijen. Mevrouw Dumas is een virtuoos en te gek. Daar kan ik niet eens over schrijven, zo goed is met verf als die is. Mevrouw -ikmagzelfookgraageenkloddertjesmereninmnvrijetijd- met vers gebotoxte bovenlip stond hevig geïnteresseerd met vriendin het kleurenpalet van Marlene te bespreken. De volgende majesteitelijke zin ving ik op: ‘Ik zelf gebruik momenteel heel veel oranje’. Niet ‘ik’ als in ‘ik, eenvoudige leek met teveel tijd om handen’, maar ‘ik zelf’ als in ‘Marlene doet het leuk, ik zélf heb met meer met oranje’. Een schilletje van nederigheid om een BOM van zelfoverschatting. Lovely.

 

fascinating

Ik ben uitgenodigd voor een bruiloft, hoera! Fijn voor de bruid en bruidegom en fijn voor mij want het ultieme excuus voor een te duur kledingstuk. Ik overweeg een zogenaamde fascinator. U weet wel, zo’n parmantig ding met veertjes dat net geen hoedje is. Kate Middleton en Maxima hebben ze in elke kleur. Maar die moeten ook elke dag wel iets doen waarbij je eenvoudig niet zonder kunt verschijnen. Dat heb ik dan weer niet. En de enige gelegenheid die zich er tot dusver perfect voor leende was mijn eigen bruiloft. En toen vond ik het NIET cool. Nog even stond ik met een grote zwierige hoed inclusief sluier in de spiegel te kijken maar ik vond het toch niet erg ‘mij’. Tot grote spijt van mijn moeder en sinds ik mijn inner-Audrey Hepburn heb omarmd ook tot grote spijt van mij. Maar nu grijp ik alsnog mijn kans. Ik ga deze bruiloft gevederd of behoed bezoeken (er zijn ook ‘hatinators’, heus, dat zijn kleine hoedjes die je meer op je voorhoofd draagt dan bovenop je hoofd). Nu de grote vraag: Welke kies ik? Om mezelf ervan te vergewissen dat ik ermee weg kom, zo’n tooi, heb ik vanmorgen met een slavork op mijn kop voor de spiegel gestaan. Ik denk dat ik het hebben kan.

caviatranen

‘Kom kerel, we gaan je dames ter aarde bestellen’ zei ik tegen mijn zoon die bij de buurvrouw aan het spelen was.

‘Huh?’ zei buurman die net naar beneden kwam en ook aan de tafel schoof waar zoon stickers aan het plakken was. ‘Ja’, zei ik, ‘we hebben straks een kleine, besloten uitvaartplechtigheid voor onze cavia’s’. ‘Och’ zei buurvrouw, ondertussen door hakend aan een dekentje, ‘binn ze dood?’ Ja, ze zijn dood. Heel zielig. Eentje had diarree en de ander kapotte tandjes. Ze vielen niet meer te redden. Muis verwisselde als eerste vrijdag het tijdelijke voor het eeuwige. Onze Krummel is, op advies van de arts die haar tandjes zou bijslijpen, maandag niet meer bijgekomen uit haar narcose. Keurig in een fris ruikende handdoek werd ze aan me overhandigd. Nog warm maar heel slap. Magere pluizebol. Dat deed me toch wel wat.

‘Nait teveul over treur’n he’, zei buurman. ”t Is wel sneu tuuk, doar wil ik niks van zegg’n moar ’t bliev’n dair’n’ (het is wel sneu natuurlijk, daar wil ik niks van zeggen, maar het bijven dieren). Buurman is namelijk boer geweest en heeft nog steeds een paar schapen om voor te zorgen. En hoe dichter mensen bij de natuur staan, hoe nuchterder en realistischer ze met de dood omgaan lijkt het. Het hoort er gewoon bij. Ik was ook niet van plan om Krummel en Muis in een klein urntje op de boekenplank te gedenken, al had ik wel net €100,- voor een operatie neergeteld die vanaf het begin gedoemd was te mislukken. Maar dat kan ook schuldgevoel geweest zijn. Bij de keukendeur vertrouwde buurvrouw me toe: ‘Nou, wie hebb’n een keer ’n schoap had dat ’s nachts doodgoan was en dou ik ’t vond was ’t lammetje nog bie zien dode moeke aan ’t drinken. Dat vond ik wel hail arg’ (Heel erg).

Hoe het ook zij, zoonlief fantaseerde alweer over nieuwe huisdieren terwijl de dierenkliniek ons deze kaart zond:

’s Toch lief.