lesje leren

Ik heb me aangemeld. Voor een les. Ik heb ook al de nodige lessen gehad, hoor. Lessen differentiëren, filmmontage, yoga, wolvilten, breindenken, van die dingen. Lessen van holistische artsen, van psychotherapeuten, van in lendendoeken gewikkelde masseurs (over die laatste was ik echt heel enthousiast). Maar nu ga ik naar de ‘School of Life’. Deze school bevindt zich overal ter wereld en organiseert lessen over de onderwerpen waar we op de middelbare school niet aan toegekomen zijn ivm aardrijkskunde. Over relaties, over werkstress, over liefde, over grenzen, eigenlijk over al die dingen waar iedereen mee te maken heeft maar waar we nooit instructies bij krijgen. En de les die ik zaterdag ga bijwonen heet ‘rust in je hoofd’.

Want ik weet niet of u het herkent maar mijn werkdagen (ik ben docent) zijn buiten de lessen om totaal chaotisch. Door bijzaken. Die wel 80% van mijn tijd en aandacht opeisen. Cijfers, logboekverslagen, werkstukbegeleiding, mentorgesprekken, loopbaanoriëntatie, een mail van ouders, een collega die vergeten is wat er ook maar weer gebeuren moest, hee, die klas staat op de verkeerde plek in de digitale agenda en nu hebben ze hun huiswerk niet gemaakt dus moet ik de helpdesk bellen, etc, etc. Ik multitask me de pleures en blijf bijgevolg aan de oppervlakte krabbelen zonder ooit de tijd te hebben de diepte in te kunnen gaan.

En dan zou je denken dat ik die staat van zijn ogenblikkelijk loslaat zodra ik thuiskom. En met een breiwerk op de bank zak voor de nodige beschouwelijke luiertijd. Maar nee, ik heb even nageteld in hoeveel boeken ik momenteel aan het lezen ben, ik kom op negen. Gelijktijdig. Die liggen allemaal ergens in huis. Een roman en een boek over seks naast mijn bed. ‘Brieven uit de hel’ op de plee, net als dat boek van Douglas Coupland. Ik heb op mijn werktafel de titel ‘de ondergang van de magische wereld’ over kerkgeschiedenis en magie liggen en op de bank ligt een pil over ‘unconditional parenting’ tegelijk aantrekkelijk en een aanklacht te wezen.

Kortom, tijd voor een lesje. Er is nog plek.

 

supersimpel

Lieve Jools,

Even over dat stukje dat je laatst schreef in het tijdschrift van je hubbie, ‘Jamie Magazine’. Je schreef: ‘ Dit supersimpele ontbijt doe ik in plastic bakjes. De meiden kunnen het dan op weg naar school opeten als we haast hebben of vroeg aan de dag beginnen’.

Nou, dat van die grof geraspte appel samen met melk, havermout, lijnzaad en amandelmelk in een kom doen red ik nog wel. Tenminste, als ik het haasten zo plan dat ik de avond ervoor bedenk dat dat vast in de koelkast moet staan weken. Als de ochtend in kwestie dan is aangebroken (en ik dus haast heb) gaat het doorroeren van het brouwsel nog wel goed. Bij het diagonaal snijden van de banaan word ik al wat narrig dus sla ik die lepel yoghurt (tegen het bruin worden van de banaan) over. Maar tegen de tijd dat de nootjes lijdzaam liggen te wachten om grof gehakt te worden, zoon 2 in zijn broek poept en dat gallige hakmes nog vies in de vaatwasser ligt knapt er bij mij iets. En dan moet ik nog op zoek moet naar die twee handenvol verse vruchten (heb jij die standaard op je aanrecht staan?). Lieve Jools, hoe doe jij dat toch? Heb jij dan ook de juiste dekseltjes voor op die plastic bakjes klaargelegd? Met de lepeltjes? En eten jouw kinderen dat dan? Onderweg naar school? Wat vindt de taxichauffeur daar eigenlijk van?

Liefs José

 

PS: Jullie Family Food Tube vind ik echt leuk.

voor niks

Als ik dit nou zou typen met de tekstkleur op wit. Wit op wit. Was het dan voor niks? Ik schreef dan wel, maar er was niets te lezen. Wel mijn gedachten geordend, wel wat gemijmerd, wel even stilgestaan bij. Maar niks vastgelegd.

Song Dong schreef jeugdherinneringen met water op papier. Stapels. Toen hij als klein chinees jongetje karakters leerde schrijven, schreef hij ook met water om inkt te besparen. Dat procedé was voor hem dus niet zo vreemd, maar je zou verwachten dat jeugdherinneringen wel een paar potjes inkt waard zijn. Bewaard. Vastgelegd. Ik heb net het fotoboek over het eerste jaar van zoon 2 af, een traditie van moeder op dochter: het babyboek. Iets om vast te houden en terug te kunnen kijken. Maar bij Dong cirkelt al zijn werk juist rondom de onmogelijkheid daarvan: het onvermogen om vast te grijpen en te houden, de vluchtigheid van dingen. Hij doet performances waar later alleen nog een foto van bestaat, maar het moment zelf is dan al weg. Het moment dat hij water aan het bakken is, of met zijn adem een laagje ijs maakt op het Plein van de Hemelse Vrede. Alleen nog video’s aan de wand van het Groninger Museum. Een groot deel van de tentoonstelling van Song is gewijd aan zijn ouders. Zijn vader, die tijdens Song’s jeugd jaren in een heropvoedingskamp doorbracht, en waar hij maar moeilijk contact mee maakte, komt in een aantal kunstwerken naar voren. Pogingen van Song om hem dichterbij te halen, aan te raken en uiteindelijk los te laten. Zo niet Song’s moeder. Toen Song’s vader overleed wilde ze vasthouden, bewaren. En met die drift neemt zij een hele bovenverdieping van het Groninger Museum in beslag. Met zijn kleren, maar ook die van anderen. Lege waspoederdozen, gekleurde elastiekjes, knuffels, stukken hout, wasteilen, schoenen, vogelkooien en nog 1000 dingen. Ze was er niet toe te bewegen wat weg te gooien tot haar zoon haar aanstelde als curator en haar vroeg een installatie te mogen maken. Toen mochten de spullen de deur uit, sterker nog, moeder achtte het bij dezen bewezen dat het inderdaad een heel goed idee was geweest alles te bewaren! En zo documenteerde Song met een enorme berg spullen de enorme leegte die overblijft als iemand echt niet meer terugkomt.

Een prachtige tentoonstelling. Zelf mocht ik ook even met water op een steen schrijven. Tien minuten later was het weg. En ooit ben ik weg inclusief al mijn bewaarde foto’s, leuke facebookberichten en deze post. Song Dong levert een stevige tegenhanger van onze voortdurende bewijsdrang en behoefte om te profileren. ‘Wuwei’ las ik, ‘niet doen’. Niet niets doen, maar bewust meegaan in de loop der dingen. Ik dacht aan de prachtige ‘memo aan mijn generatie’ van Hannah de Meijer. Hier een klein stukje:

‘En als wij geen dingen meer doen om te laten zien dat we dingen doen, dat we bestaan, dat we onmisbaar zijn, rotten wij dan werkelijk liggend weg? Zullen wij dan werkelijk niks meer schrijven? Nooit meer iets zeggen? Nooit meer ineens opstaan, om als vanouds iets nieuws te maken?

Laat ons niet werken om te bewijzen dat wij theatermaker zijn, of schrijver, of kunstenaar, of beeldhouwer, of bakker. Laat ons leven, en soms theater maken of iets schrijven of iets kappen in steen.’

 

 

smaak

Over smaak valt wel degelijk te twisten. Want dat doen wij, mijn zoon en ik. Hij is zeven jaar en waagt het zowaar er een eigen mening op na te houden over zijn kleding. Na een aantal énige miskopen (neem ik voor hem mee, vindt ie vast leuk) lijk ik echt de touwtjes uit handen te moeten geven. Mijn vroegere list, op internet 3 opties geven en daaruit laten kiezen, is doorzien. ‘Laat mij zelf maar even kijken’ zegt zoon dan. Het vervelende van jongetjes  (ik heb er nog een, maar die is nog klein en vindt het allemaal nog best) is dat het idee bestaat dat het koddig is als jongetjes een miniatuurversie zijn van papa. En de meeste papa’s zijn dan blijkbaar saaie kantoorlullen met azuurblauwe polo’s. Of dat er zogenaamd stoere (lees: schreeuwerige) prints op jongenskleding moeten of zomaar random heldhaftige woorden: ROARRRR!!! Niks daarvan, mijn kind ging naar de creche in retro scandinavische kinderkleding. Hip en verantwoord.Tot nu dus. Sportschoenen met lampjes en ratels erin, trainingsjacks in fluorkleuren en die leuke winterjas mocht ik ook wel van hem op Marktplaats zetten (gefeliciteerd, mevrouw ‘Fiederelsje54’). Gelukkig heb ik een wederhelft die af en toe ‘lakschoentjes’ in mijn oor fluistert. Want die wilde ik zoooo graag en kreeg ik nooit. En dan weet ik weer wat belangrijk is Dat hij zichzelf is, in fluor desnoods.

 

groep 4

 

 

Eergisteren ging hij voor het eerst naar school en nu zit hij in groep 4. Serious business nu. In week 1 gingen de tafels in rijtjes in plaats van in die gezellige groepjes en in week 2 was hij er: de échte vulpen. Daar gaan ze dan, net kleuter af, onderweg naar een wereld waarin efficiëntie de hoofdrol speelt. Want soms, soms valt mijn hart op mijn knieën als ik het allemaal aanzie. Eigenlijk geloof ik er maar half in, in dit systeem. Niets ten nadele van de school waar mijn zoon op zit, of van de briljante juffen die hij tot dusver getroffen heeft. Maar gewoon, het idee dat je de aanleg om te leren die van nature in elk kind aanwezig is passeert, en het in een lokaal met leeftijdsgenoten zet omdat dat nu eenmaal het meest werkbare scenario is voor ons volwassenen, staat me tegen. Je kunt er creatieve vakken, filosofie en maatschappijleer tegenaan gooien wat je wilt maar in wantrouwen (wij vertellen jou wat je leren moet want jij weet dat niet) groeit weinig. Laat staan een eigen mening. Dat denk ik dan dus. Soms.

Gelukkig mag ik nog mee de klas in. En gelukkig trof ik daar afgelopen week tussen alle loslopende toekomstige modelburgers een meisje verkleed als roze big, een meisje met geschaafde knieën en scheetkussen én een jongetje met z’n trui achterstevoren aan. Dat geeft de burger moed.

vlieg

Er ligt een vlieg te drogen op mijn broodplank. Een dikke bromvlieg. Toen we thuiskwamen lag hij in een overgebleven beker roze ranja te dobberen. ‘Och’ zeiden wij en ik kieperde de ranja in de gootsteen. Zag ik nou een pootje trekken? Ja, echt, hij doet het nog! Voorzichtig lepelde ik de bromvlieg uit de gootsteen en drapeerde hem op het broodplankje. En daar ligt hij nu, uitgeteld en suikerstoned. Z’n vleugels zijn al droog, geloof ik. Hij doet me een beetje denken aan die arme jongens die tijdens WO 1 zichzelf in hun hand schoten om in vredesnaam maar uit die uitzichtsloze loopgraaf weg te kunnen. Als ze door de mand vielen, werden ze eerst opgelapt in de ziekenboeg om vervolgens met gezonde hand gefusilleerd te worden. Misschien moet ik de bromvlieg markeren. Dat ik hem niet per ongeluk doodmep morgen…

provinciaaltjes

Je herkent haar aan haar stekeltjeskapsel en bodywarmer. Hem aan zijn puutje shag en praktische schoenen. De provinciaal. Na een jeugd vol ‘stamtoafel’ op zaterdagochtend en geregelde kerkgang in witte sandalen kijk je als student verbaasd terug. Kom ik hier vandaan?  Met je pas verworven kennis voel je je een hele kosmopoliet en na je culturele onderdompeling in de stad kan je ’t je niet meer voorstellen. Met je volle waszak en hippe coffee-to-go stap je elk weekend in de trein naar huis en kijkt meewarig naar de lomperiken om je heen. ‘Kom je met Oud en Nieuw hierheen? Gaan we naar de soos en daarna naar Kombuis!’ vraagt je jongere broertje. Tuurlijk niet. Ik kom nooit meer terug.

Een tijdje terug was er in de bibliotheek in mijn dorp (dus toch) verkoop van afgeschreven boeken. Ik koos een groot boek over ‘Grandma Moses’. Een afgeharde boerin die op haar 70e het penseel ter hand nam. Gewoon, omdat ze dat leuk vond en het haken vanwege de artrose niet meer ging. Haar schilderijtjes gingen samen met de zelfgemaakte potten jam en de boter naar de markt. Alleen de schilderijtjes kwamen weerom. Totdat een culturele hotshot uit New York haar opmerkte. Haar naïeve schilderstijl en onschuldige landschappen wekten vertedering en nostalgische gevoelens op. Grandma Moses, zo nuchter en nederig als ik me voorneem te worden, nam niet de moeite om haar eigen eerste solo-expositie te bezoeken. Ze had de schilderijen immers al gezien? Fantastisch wijf. En hoewel Grandma absoluut oog voor detail had en een zeker subtiel kleurgevoel, was ze geen topschilderes. Maar dat deed er niet toe want er was een heerlijk, puur mens ontdekt door de kunstwereld. Een knuffelprovinciaal. Zou ze zelf in de gaten hebben gehad dat ze maar half serieus genomen werd?

Diezelfde avond ging ik met mijn zoon naar een uitvoering van de plaatselijk brassband ‘De Bazuin’. Zoon zit namelijk op AMV (Algemene Muzikale Vorming) en dat wordt gesponsord door diezelfde bazuin. De kinderen waren dus allen uitgenodigd met in het vooruitzicht dat de tekeningen die ze hadden gemaakt over ‘oorlog en vrede’ tijdens het concert te zien zouden zijn. En zo was het ook. Zoonlief had duidelijk het meeste plezier gehad aan het onderdeel ‘oorlog’ van het thema, maar goed. Nou is brassmuziek is niet mijn cup of tea. Maar de bolle toetwangen en proper geschoren nekken boven de slechtzittende uniformjasjes maakten me blij. En langzaam verschoof ik van het neerbuigend aanschouwen van een andere menssoort naar een soort melancholie en trots. Ik voel me hier thuis.